2. van het wonen in HOLEN

Zo edel en aanzienlijk het herderleven was, zo onedel was het wonen in holen. Zij, dit deden, heten bij de Hebreeërs Horieten, bij de Grieken Troglodieten. De Grieken maakten een afzichtelijke schilderij van dezelve zeden, en stellen hen als de grootste rovers voor. Zij melden ons veel waars, maar ook zeer veel fabelachtigs van hun. STRABO zegt, bijvoorbeeld, dat vrouwen en kinderen bij hen gemeen waren, alleen des Konings gezelin uitgezonderd. Dit is nu zeker al te overdreven, schoon men er al uit ziet, dat de echte staat ten dien tijde niet met de grootste heiligheid en onkreukbaarheid is beschouwd geworden: en op gelijke wijze beschrijft ook MOZUS de Kanaänieten, welke in de daad spelonkbewoners waren, als de afschuwelijkste bloedschenders, (Lev18).

S. 2. Zo veel blijft zeker, dat deze levenswijze voor schandelijk gehouden werd, gelijk men genoeg zien kan, wanneer men maar de plaats Job30:1-8 leest, waar JOB aan zulke soort van lieden hunne verachtelijke geboorte en ontucht verwijt. Hun onderhoud bestond uit kruiden en vruchten, gelijk uit dezelfde plaats blijkt.

 S. 3. Reeds vroeg ontmoeten wij een volk, dat in holen woonde, (Gen36:20 Horieten) waar mede EZAU zich verzwagerde, (verg. Deut2: 22.). De zogenaamde Enakieten, van welken er drie stammen, die omstreeks Hebron woonden, voorkomen, waren niet anders dan spelonkbewoners, (Num8:23, 29, 34 + Deut. 2: 10 – 12 + Job 15: 14 + Richt. I: 20.) Zo was het insgelijks met de Rafaïten gelegen, welke duidelijk, (zo als uit Gen14: 5. Joz15: 8 + 18: 16. blijkt,) van Kanäanietische oorsprong waren. Zo ook woonden de Amorieten in holen. (Deut1: 28.) Voor deze soort van mensen (Enakieten) waren in het eerst de Hebreeërs zeer bevreesd. (Deut9: 2. Joz14: 12.)

S. 4. In Egypte hield men zich dikwijls in onderaardse holen op en verscheidene volkeren in Ethiopië, Sardinië, en Armenië , als ook de Peruvianen (De Samojeden wonen des zomers in tenten van berkenschors, maar des winters in kuilen onder den grond. Ook woont de boer in Hongarije, op plaatsen, waar het aan hout tot bouwen mangelt, in holen, en de Puliaten , dat is, de geringste onder de Heidense Malabaren, houden , zich steeds in spelonken , boomstammen, en hutten van palmtakken op.) hielden in dezelve hun bestendig verblijf. In enige plaatsen van den Koran (Sur. 7 en 15) wordt van een ouden Arabische stam THAMUD melding gemaakt, welke eerst in het land Raman woonde, doch daarna, naardien hij van HAMYAR, de zoon van SABA, daar uit verdreven werd, zich in het gebied HEJR in de provincie HEJAZ, welke zeer bergachtig was, nederzettende, en zich woningen in de rotsen hieuw. Zo ontmoeten wij ook LOT met zijn beide dochters in een Arabisch hol. (Gen 19:30)

S. 5. In ISRAEL waren zeer vele holen, bij den berg LIBANON en aan de zee GENEZARETH, insgelijks aan de Rode Zee en in het zuidelijk gedeelte van den stam Juda omstreeks Hebron, (Deut13: 23, 29. Joz10: 20, 22.) De vijf verbondenen van JOZUA geslagen Amoritische Koningen hielden zich in een hol bij Makkeda in de stam Issaschar verborgen. (Joz10: 16, 22, 27) De spelonk der Sidoniers wordt Joz8: 4. genoemd, welke nog in de geschiedenis van de heiligen oorlog voor komt, omdat zich daarin de Christenen een tijdlang tegen de Saracenen verdedigden, en van welke ook de reisbeschrijvers waren. De spelonk Adullam, in welke zich DAVID dikwijls verschool, wordt ook in volgende tijden dikwijls genoemd. Bij Argob, dicht bij de Jordaan (Deut3: 13, 1 Kon4: 13) waren vele holen.

S. 6. In tijden van oorlog waren de holen een goede toevlucht, en werden alleen dan door de Hebreeërs gebruikt. (Richt6 : 2 + 20: 47 + 1 Sam13: 6 + 14: 11 + Jes2 : I0, 19 – 22 + Mich1: 15 + Openb 6: 15) OBADJA verstak ten tijde van den dwingeland ACHAB de Profeten, of eigenlijk Priesters, in spelonken (1 Kon18: 4), en ELIA vlood in een hol aan den berg Karmel. (1Kon19: 9.) Vooral werden deze plaatsen wegens de gruwlijke vervolgingen van ANTIOCHUS EPIPHANES gekozen, (1 Makk1: 56. 2: 31, 38, 41.) schoon de vluchtelingen daarin een treurig lot hadden te lijden. DAVID dienden zij tot een gewone aftocht: (1 Sam22: 1 + 23: 13, 25 + 24: 4 + 2 Sam17 : 9 + 23: 13 + 1 Kron11: 15.5) Soms kwam zijn doodsvijand SAUL in dezelfde spelonk, waarin hij met ziin lieden was, en ontdekte hem niet, waar uit men tot de zelfer ruimte en schuilhoeken zekerlijk besluiten kan. POCOCKE verhaalt, dat er een geschiedenis was, dat eens het landvolk, om zich tegen een ontstaane kwade lucht te beveiligen, bii de dertigduizend man in zulk een spelonk gevlucht was. Zeer geschikt waren zij derhalve ook ter woonplaats voor rovers en roofdieren. (Jer7: 11) De holen bij Arbela in Galileën (1 Makk. 9: 2) werden wegens hunne ontoegankelijke gelegenheid lange tijd door rovers bewoond en YESHUA vergeleek bij wijze van spreken den tempel te Jeruzalem bij een spelonk van rovers en moordenaars. (Matt21: 13)

S. 7. Deze holen zijn in het Oosten geheel droog, waarom ook de Egyptenaren voor hunne gedenktekenen onderaardse gangen maakten (Ezech8: 8-12). Ook werden zij tot begraafplaatsen gebruikt (Gen23: 9.) en wegens hunne donkerheid voor de necromantie (zwarte kunst, of oproeping der doden) zeer geschikt gehouden (1 Sam28:13, 14)