1. van het wonen in TENTEN

S1. In tenten te wonen was het alleroudst gebruik, en zulks werd voor aanzienlijk gehouden. Dit gebruik duurde, in ‘t algemeen genomen, zeven honderd en zestig jaren. Tegenwoordig nog voelt de echte Arabier daar in de grote eer, en houdt het wonen in huizen voor burgerlijk en laag, ja zelfs voor slaafs. Zij nu, welke tenten ter woning verkozen, waren Nomaden of Herders, wel welken men ondertussen zeer te onrecht met onze herders in vergelijking zoude brengen, daar beider levenswijze al te zeer van elkander verschilt. De herders hielden zich niet aan één plaats op, maar trokken met hunnen tenten en kudden rond, en voegden zich ieder daar, waar zij een goede lucht, een vrij uit zicht, groene weiden en waterbronnen vonden; van daar was het ook, dat JAKOB kon met zijne zonen, om dat zij wegens het misgewas in het land Kanaän geen voeder voor hun vee hadden, zich naar het land Gosen begaven, waar zij voordelige voorwaarden bij kwamen, doch daar zij hier naderhand als slaven behandeld werden, was het zeer natuurlijk, dat zij zich van dit hard juk ontvluchten, en weder uit het land vertrokken

S2. JABAL volgde het eerst zulk een levenswijze, en wordt ook uitdrukkelijk de uitvinder van tenten genoemd. (Gen4: 20.) Zeer spoedig kreeg hij navolgers, immers ontmoeten wij dat gedeelte des mensdom, het welk den torenbouw te Babel ondernam , als herders, welke van de een plaats tot de andere rondtrokken. (Gen11 : 2. ) TERACH, ABRAHAM’s vader, trok van Uri naar Charran, een landstreek voor de veeteelt uitmuntend geschikt, om dat daar een groten woestijn was, om daarin gedurende den winter te weiden, terwijl hij in den zomer noordwaarts naar de Aramese woestijn zich begeven konden. ABRAHAM en LOT trokken beiden met hun vee en tenten rond, en daar een gemene plaats voor hunne kudden hun te eng werd, scheidden zij zich van elkander. Ook was JAKOB zulk een herder, en Mozes wenst in zijnen zegen ISSASCHAR toe, dat hij onder zijne hutten vergenoegd leven moogt. (Deut33: 18.) De Kenieten, Midianieten, Amalekieten en Ismaëlieten voerden even dezelfde levenswijze, en waren rechte en ware Bedoeïenen, (Richt4: 11 + 5: 24 + 6: 5 + 8: 11 + 2 Kron. 14: 15) Ten tijde van JEREMIA leefde nog de sekte der Rechabieten onder tenten. (Jer. 35; 7)

S3. Het wonen in tenten had over het geheel ene grote bekoorlijkheid, ook voor hun , die geen herders waren, immers DEBORA had haar tent onder een palmboom opgeslagen, (Richt 4: 5.) en SALOMO vinden wij ook in zulk een woonplaats. (Hoogl. I: 5.)

S4. In deze bijdrage plaatsen wordt onder tussen alleen van enkele tenten gesproken, maar wij vinden in de Reisbeschrijvingen, vooral van ARVIEUX, NIEBUHR en SHAW, gehele karavanen van rondtrekkende Arabieren en Bedoeïenen, wier opgeslagen tenten het aanzien van dorpen hebben. Deze werden in de rondte opgericht, en de kudden in het midden besloten, om dezelve daar door het zeker tegen rovers en wilde dieren te beveiligen. Tot zulk een dorp behoren somtijds twee honderd tenten. Een groot aantal van tenten kan men Horde noemen, (Jer. 51: 59). (Hebr: rustplaats) Wanneer de tenten niet uit zulk een menigte bestonden, dat zij de kudden konden in sluiten, dan moesten enige lieden des nachts wacht houden, (Luk2: 8.) of er waren honden ter bewaking gesteld, die ten uitersten gevaarlijk waren. (Job30: 1. Jes56: 9, 10. Of men evenwel ter beveiliging van het vee ook andere dieren, bij voorbeeld, wilde strijdossen, gebruikt hebben, hetgeen KOLBE als gebruikelijk bij de Hottentotten op geeft, wil ik niet beslissen.

S5. Wanneer de herders zich enen tijd lang aan een goede weideplaats wilden ophouden, zo maakten; zij soms voor hun vee hutten of omtuiningen, ván struiken en doornen , welke genoemd worden, (Gen33: 17.) MICHAELIS is wel van, gedachten, dat het misschien schuren voor de schapen zullen geweest zijn, om dat anders gewoonlijk de schapen onder den blote hemel bleven: doch in deze hutten, welke buiten twijfel met een heg of muur omgeven waren, werden zij waarschijnlijk alleen des nachts, om ze tegen de wilde dieren te beveiligen, ingedreven. Dat het woord van hutten, samengesteld uit struiken en takken, gebruikt wordt, is uit vele plaatsen duidelijk. Meer vaste stallingen van muurwerk of stenen vervaardigd, binnen welken men de schapen ten tijde der scheering dreef, en vooraf een weinig zweten liet. Ook had men schaapstorens (2 Kron26: 10.), deels om reeds: van verre rovers te kunnen ontdekken, deels om zich. naar de zelven, ten einde den rechte weg niet te ver liezen, te richten. Daar boven had men ook nog sterke sloten of kastelen van steen of ook van hout, om tegen vijandelijke overrompelingen veilig te zijn. (Gen25: 16 + 35: 21. Num31: I0. + 2 Kron26:10 + 27: 4. Neh3: 25. Psalm. 70: 26. Jes32 : 14. Ezech25: 4 + 46: 23. Micha4: 8. Hand1: 20)

S 6. De beweegbare dorpen of horden heten “behasrehem”, (Gen25 : 16 + 8: 28) Zij plagten van de Bedoeïenen, welke grote rovers zijn, zeer verborgen aangelegd te worden, deels om uit deze hinderlagen op den eenzame wandelaar of op gehele karavaan men te loeren, (Psalm 10 : 8.) deels om voor de gastvrijheid zeker te zijn: dan in dit laatste geval werden zij toch veelal bedrogen, om dat hunne woningen door het vuur, tot afschrik der roofdieren aangestoken, ontdekt werden.

S. 7. SALUSTIUS beschrijft ons de Mappalia der Numidiers, welke de gedaante van een omgekeerde boot gehad hebben, en diergelijken heeft ook SHAW in ‘t Oosten waargenomen. Intussen, moet men hier uit geen algemeen besluit trekken, want NIEBUHR beschrijft de tegenwoordige hutten der Arabieren als spits uitlopende, gelijk de onze. De kleine hutten van de algemene Arabieren aan den Eufraat, zegt hij, zijn gemeenlijk maar met stro-matten bedekt, en door takken van dadelboomen onderstut, doch van boven rond: daarentegen zijn de tenten der Turkomannen en Koerden gemeenlijk door zeven of negen stangen, van welke drie hoger dan de overige zijn, doch de middelde de hoogte is, onderschraagd, en dus boven niet rond, maar hebben de gedaante van een oud Europisch boerenhuis

S. 8. De algemene tenten bestonden waarschijnlijk uit grove zwarte stof, zo als er tegenwoordig nog de Arabische uitzien. SHAW zegt, dat zij van even zulk grof lijnwaad waren, als uit ‘t welk in Engeland de koolzakken gemaakt worden, en deze stof weefden de Arabische vrouwen zelf. De ten eten der Kadarenen, dat is rondtrekkende herderen of worden ons ook in Salomo’s Hooglied (H. 1: 5) als zwart beschreven, en niets is fraaier, volgens het bericht der reizigers, dan een wijde vlakte vol van deze zwarte tenten te zien. Van binnen in de tenten ziet het er zeer zwart en berookt uit, omdat bij het koken der spijzen de rook geen andere opening dan de deur vindt

S. 9. De tenten der aanzienlijken hadden verscheidene overdeksels. Het buitenste was maar van slechts kameelhaar gemaakt, en hing over een ander, het welk dikwijls zeer kostbaar en bont gestikt was. Het eerste heette “de tent”, het laatste “de woning”. Uit Exod26: 1-7 + 14, waar van de Tabernabel gesproken wordt, is dit onderscheid te zien. Verg. Job21: 28 + 2 Sam7: 6 + Ps 104: 2 + Jer4: 20.

S. 10. Hoewel de algemene Nomaden (zwervende herder) slechts één tent had, zo woonde hij nog thans met zijn vrouw en kinderen niet in één vertrek, maar zijne tent was door voorhangsels in bijzondere vertrekken ingedeeld ,(Gen18 : 6- 10). Doch bij de aanzienlijken had de vrouw voor zich en voor haar kinderen een bijzondere tent, (Gen. 24: 67 + 31: 33) Achter het woonvertrek vond men een, door enige trappen boven den grond verheven, wel op zich zelf, donkere, maar uit het voorvertrek licht ontvangende plaats, waar in het bed stond. (Num25: 8.) Dit is dus even hetzelfde, ‘t welk wij met een enigszins veranderd Arabisch woord Alkoven noemen.

S. 11. Voor den ingang der tent was men gewoon graag een boom te planten, om des zelfs schaduw te genieten (Gen18: 4 + Richt4: 5, 11) en hier vandaan wordt ook dikwijls een spreekwijze ontleend, (Psalm52 : 10 + 92: 14)

S. 12. Een menigte van meubelen en huisraad moet men in deze tenten niet zoeken, trouwens wij vinden zelfs (Gen18: 4) bij een voorname Emir geen stoel, maar het Oosterse gebruik is, zich op den grond neder te zetten, welke of met een kostbaar tapijt, of ook maar alleen met een stuk leder, of met een stro-mat, welke voor tafel, stoel en bed dient, bedekt is. Op die wijze was ook het vloerkleed, waar op NEBUKADNEZARS troon geplaatst werd, gesteld, (Jer. XL: 10.) Waarschijnlijk behoort ook hier toe de plaats Richt4: 8. Het vertrek, waarin YESHUA het Paasfeest hield, was, met een tapijt bedekt, (Mark14: 15, Luk22: 12) Zo beschrijven ons ook ARVIEUX, NIEBUHR en SHAW, de hedendaagse, Arabische tenten zonder huisraad. Zelfs bij de aanzienlijken in Sardinië, bijzonder op het land, vindt men geen stoelen, maar de adellijke dames zetten zich neder op den grond.