Jamie Buckingham “Een pad door de woestijn”, uitgeverij Gideon. Hierin wordt geschreven over het moment dat het volk Israël bij het water, Mara (bitter) geheten, aankwam. Daar begon het volk opnieuw te morren en mopperen op Mozes. Mozes werpt dan een stuk hout in het water. Waarna het water zoet wordt en de Israëlieten ervan drinken.

Jamie Buckingham stelt dan de lezers de vraag of God een fout had gemaakt met het geven van het bittere water of dat de Israëlieten fout zaten door te vragen dit water zoet te maken.

Bitter water betekende voor de Israëlieten dat ze zich konden zuiveren van alle pesticiden die zij hadden meegenomen. Bitter water zou ervoor gezorgd hebben dat hun stoelgang op gang zou zijn gekomen, waardoor hun lichaam gezuiverd zou worden. Daarnaast zou het magnesium, dat terug te vinden is in bitter water, hen kracht hebben gegeven voor de uitputtende reis in de warm zon. Moderne sportlieden die moeten presteren in de warme zon slikken extra magnesium. Israël bedankte hiervoor en nam liever alle bacteriën en pesticiden uit Egypte mee.

Dit was ook geestelijk: Ze wilden geen afstand doen van de zonden van Egypte. Ook vandaag de dag kiezen vele christenen niet voor het bittere water. Ze zien op tegen de pijn die het kost om werkelijk te sterven aan het eigen ik, maar God heeft het beste met u voor. Beter te sterven aan het begin en in een nieuw leven verder te gaan, dan uiteindelijk om te komen in de woestijn.