De sandaal van Mordechai en de galg van Haman

De sandaal van Mordechai en de galg van Haman

Toen Haman, een Pers van geringe afkomst, nog arm was, ging hij op een keer naar de Jood Mordechai en vroeg hem een grote som gelds te leen. Mordechai zei toen dat hij hem het gild wel wilde schenken, op voorwaarde dat Haman schriftelijk zou verklaren zijn slaaf te zijn. Haman ging hiermee akkoord. Maar omdat er geen perkament bij de hand was, waarop deze verklaring geschreven kon worden, stelde Mordechai voor om zijn sandaal te gebruiken. Haman schreef toen op Mordechai’s sandaal : “Ik, Haman, van het huis Agag, verklaar hierbij dat ik mezelf als slaaf verkocht heb aan de Jood Mordechai”.

Toen Haman later carrière maakt en de gunsteling van de Perzische koning werd, begon hij Mordechai te haten, 9mdat dat de enige was die zijn weinig roemrijke verleden kende. Mordechai zat altijd bij de poort van het paleis van de koning. En telkens als Haman langs kwam, stak hij zijn voeten naar voeren en dan kon iedereen lezen wat er op zijn sandaal stond…. En om deze reden besloot de oppermachtige minister om Mordechai en zijn geloofsgenoten uit te roeien.

Toen Haman nu op zijn binnenplaats een galg oprichtte voor de Jood Mordechai, ging hij er zelf even onder staan om te kijken of deze hoog genoeg was. Op dat moment hoorde hij een galmende stem die riep : “ Past precies, past precies!” De volgende dag viel Haman bij de koning in ongenade en deze beval dat hij, zowel als zijn tien zonen, aan een boom moesten worden opgeknoopt. Alle bomen kwamen toen bij elkaar om te overleggen en zeiden : ”Aan degene onder ons, die meer dan vijftig elhoog is, moet Haman gehangen worden.”

Toen zei de wijnstok : “Ik ben te kort en kan dus niet toestaan dat hij aan mijn top wordt opgehangen. Bovendien komt van mij de wijn voor het plengoffer.” En de vijgeboom zei : “Omdat mijn vruchten als eerstelingen aangeboden worden en mijn bladeren Adam en Eva tot kleiding dienden, kan ook ik niet toestaan dat hij aan mij gehangen wordt.” De olijfboom zei: “Aan mijn top kan hij niet gehangen worden, omdat uit mijn vruchten de olie gehaald wordt voor de Menoure, de heilige luchter in de tempel.” Ook de granaatboom had zijn bezwaren : “Aan mij kan hij niet gehangen worden, omdat alle godvruchtige en rechtvaardige mensen met mij vergeleken worden. Want van een godvrezend man plegen de mensen te zeggen : Hij is net zo rijk aan deugden als de granaatappel aan pitten.” De etrog, de boom der kennis uit het paradijs, bracht naar voren : ”Daar de Joden mijn vruchten gebruiken voor hun eredienst tijdens het loofhuttenfeest, kan ook ik mij hiertoe niet lenen.”

Zo had elke boom bezwaren. Geen enkele wilde er iets mee te maken hebben met een schurk als Haman.  Maar uiteindelijk reip de eik: “Luister! Hang Haman maar aan mij op, want ik ben de boom die hij voor Mordechai bestemd had. En het is billijk om hem zelf aan de galg te hangen, die hij voor de Jood in gereedheid had gebracht.”

Haman smeekte Mordechai hem niet als een zak oude lompen op te hagen, maar hem te onthoofden met het zwaard van de koning. Maar Mordechai gaf geen gehoor aan zijn smeedbede. Sindsdien wordt het Poerimfeest – het vreugdefeest ter herinnering aan het verijdelen van de boze opzet van Haman – gevierd met gebruiken die betrekking hebben op Haman : er wordt een Hamanpop verbrand, er worden ‘Hamans-oren’ gegeten en in de synagoge gaat het noemen van zijn naam, tijdens het voorlezen van de Estherrol, gepaard met heftige geklop.

Eens, in de 13e eeuw, vroeg de keurvorst van Regensburg aan rabbi Jehuda Chassid, de rector van de Joodse hogeschool in Regensburg : “Waarom kloppen jullie zo, als de naam van Haman wordt uitgesproken?” Daarop antwoordde rabbie Jehuda Chassid : “Elke keer als wij kloppen, word hij door de duivels in de hel geslagen.” “Hoe weet je dat?”, vroeg de keurvorst. En rector zei : “Kom, ik zal het je laten zien.” En hij nam hem mee naar de poorten van de hel en liet hem zien hoe Haman daar wordt geslagen. Toen zei de keurvorst : “Als ik jullie was, zou ik ook helpen hem te slaan”.

(Targum Scheni; Midrasj Abba Gurion hst.7; Targum Risjon 8,9)