Visioen Brian Moore

“In die plaats tussen wakker zijn en dromen vond ik mezelf terug in een kamer. Er waren geen duidelijk herkenbare aanwijzingen, behalve die ene muur die vol stond met kasten vol steekkaarten. Het waren van die kaarten die ook in bibliotheken gebruikt worden, met de gegevens van auteurs en onderwerpen op alfabet. Maar deze steekkaarten waren overal, van de vloer tot het plafond en schijnbaar eindeloos in alle richtingen en ze hadden heel vreemde opschriften.

Toen ik korter bij die muur van steekkaarten kwam was de eerste titel die mijn aandacht trok: “Meisjes die ik graag had”. Ik opende het kastje en begon door de kaartenbak heen te surfen, maar plots begon ik namen op de kaarten te herkennen en met een klap sloeg ik het kastje terug dicht. Ik herkende elke naam die op die kaartjes geschreven waren en ineens, zonder dat iemand het me zei, wist ik waar ik was.

Deze levenloze kamer met al zijn kleine kaartjes was een rauw catalogus-overzicht van mijn leven. Hier waren de daden die ik op elk moment van mijn leven had verricht, klein en groot, zo gedetailleerd dat ik ze zelf voor een groot deel vergeten was, genoteerd. Een gevoel van verbazing en nieuwsgierigheid, gekoppeld ook aan afschuw, begon me onrustig te maken. Ongestructureerd, in het wilde weg, begon ik kastjes met steekkaarten open te maken om te zien wat er op stond. Soms werden er vrolijke en prettige herinneringen opgewekt. Andere keren werd ik beschaamd en had ik zo’n intense spijt over wat ik las dat ik over mijn schouder naar achteren keek om te zien of niet iemand naar mij aan het kijken was. Een kastje met de naam ‘Vrienden’ bevond zich naast het kastje: ‘Vrienden die ik verraden heb’. De andere titels gingen van het gewone ‘Boeken die ik gelezen heb’ naar het verschrikkelijke ‘Leugens die ik verteld heb’, van ‘Bemoedigingen die ik gegeven heb’ naar ‘Moppen waarmee ik gelachen heb’. Soms waren de steekkaarten ronduit om te schaterlachen in hun gedetailleerdheid: “Dingen die ik tegen mijn broers geroepen heb’ bijvoorbeeld. Met andere kon ik daarentegen helemaal niet lachen zoals ‘Dingen die ik gedaan heb in mijn woede-uitbarstingen’, ‘Dingen die ik gedacht heb in mijn boosheid op mijn ouders’. Ik bleef mij verbazen over de inhoud van de kaartjes.

Vaak waren er meer kaartjes dan ik verwachtte. Soms waren er minder dan ik hoopte. Ik was overstelpt. Alleen al door de hoeveelheid leven die op de kaartjes werd verteld. Kon ik echt zoveel gedaan hebben als hier op die duizenden, neen miljoenen kaartjes verteld werd? Maar steeds opnieuw herkende ik de feiten. En elk kaartje was geschreven in mijn eigen handschrift en ondertekend met mijn eigen handtekening. 

Toen ik het kastje opentrok met de naam: ‘TV-shows die ik gezien heb’ realiseerde ik me dat de kastjes meegroeiden met hun inhoud. De kaartjes waren heel dicht op mekaar gepakt, maar na een hele tijd had ik het einde ervan nog niet bereikt. Ik sloot het kastje, beschaamd, niet zozeer door de lage kwaliteit van de shows, maar door het besef hoeveel tijd ik verloren had voor de televisie.

Toen ik aan het kastje kwam waarop stond ‘Wellustige gedachten’ voelde ik een koude rilling over mijn rug kruipen. Ik trok het kastje naar me toe en nam er een kaart uit. Ik rilde toen ik de gedetailleerde inhoud las. Ik voelde me ziek worden bij de gedachte dat zulde gedachtegangen opgenomen waren. Een haast dierlijke woede overspoelde me.

Eén gedachte overheerste me nu: Niemand mocht deze kaarten zien! Niemand mocht zelfs deze kamer vinden! In een razende woede trok ik de kaarten uit het kastje. De grootte van het kastje interesseerde me niet meer. Ik moest het leeg maken en de kaarten erin verbranden. Maar toen ik de kaarten over de grond wilde uitstrooien, kon ik geen enkele kaart kapot krijgen. Ik werd wanhopig maar wat ik ook probeerde om de kaarten te verscheuren, elke kaart leek wel van staal.  Ik was verslagen, hulpeloos. En ik stak de kaarten weer in hun kistje. Met mijn voorhoofd tegen de muur gedrukt, zuchtte ik vol zelfmedelijden. En toen zag ik het: een kastje met de titel: ‘Mensen aan wie ik het evangelie verteld heb

De handgreep van het kastje was lichter dan die van de andere kastjes. Alsof ze nooit gebruikt was. Ik trok het kastje open en amper de eerste 5 centimeter van het kastje was gevuld met kaartjes.  Ik kon de kaartjes op mijn 10 vingers geteld krijgen. En toen kwamen de tranen. Ik begon te wenen. Snikken kropen vanuit zo’n diepte omhoog dat het pijn deed. Ze begonnen ter hoogte van mijn maag en schudden me dooreen. Ik viel op mijn knieën en huilde. Ik huilde uit schaamte…, om de allesoverheersende schaamte van dit alles. De rijen kastjes met kaarten draaiden doorheen mijn met tranen gevulde ogen. Niemand mocht ooit, ooit van deze kamer weten. Ik moest ze afsluiten en de sleutel weggooien. En toen, toen ik mijn tranen wegduwde zag ik Hem. Neen, alstublieft niet Hem ! Niet hier ! Iedereen maar niet Jezus ! Ik keek Hem wanhopig na toen Hij de kistjes begon te openen en de kaartjes begon te lezen. Ik kon er niet tegen te zitten wachten op de woorden die Hij ging uitspreken. Maar toen ik mezelf er even toe kon brengen om naar Zijn gezicht te kijken, zag ik een verdriet dat zelfs dieper was dan het mijne. Hij leek intuïtief recht op de kastjes af te gaan waar de ergste kaartjes inzaten. Waarom moest Hij ze allemaal, één voor één, nalezen ?

Tenslotte keerde Hij Zich om en keek me vanaf de andere kant van de kamer aan. Hij keek vol medelijden naar me. Maar het was een medelijden dat me niet boos maakte. Ik liet mijn hoofd naar beneden vallen, bedekte mijn gezicht met mijn handen en begon opnieuw te wenen. Hij kwam naar me toe en legde Zijn arm om me heen. Hij kon zoveel gezegd hebben, maar Hij zei geen woord. Hij weende gewoon met me mee.

Toen stond Hij op en stapte naar de muur vol kastjes. Beginnend aan de ene kant van de kamer nam Hij de kaartjes uit de kastjes en begon ze één voor één te ondertekenen. Zijn naam over mijn naam heen. “Neen,” riep ik terwijl ik naar Hem toe rende. Alles wat ik kon zeggen was “neen, neen, neen !” terwijl ik de kaartjes uit Zijn handen probeerde te trekken.  

Zijn naam mocht daar niet op staan. Maar daar stond die naam: in het rood, zo sterk, zo donker, zo levend. De naam van Jezus bedekte mijn naam, Hij had getekend met bloed. Zachtjes nam Hij de kaart weer van mij af. Glimlachte verdrietig en ging verder met ondertekenen. Ik zal wel nooit begrijpen hoe Hij het deed, maar het ging zo snel en ineens had Hij gedaan. Ik hoorde Hem het laatste kastje dicht doen en weer naast me komen staan.

Hij legde Zijn handen op mijn schouders en zei: “Het is volbracht”. Ik stond op, en Hij leidde me uit de kamer. Er was geen slot op de deur. Moesten er dan nog kaarten volgeschreven worden ?